Blogs in Quebble.com

Hieronder staan de bijdragen van Marianne aan het  Weblog van Quebble.com.

logo quebble
Deze zijn ook te vinden op hun website maar door ze hier over te nemen blijven deze bijdragen bestaan ook al verwijdert quebble.com ze van hun site EN houden we de publicaties van Marianne de Valck compleet op één plaats.
Klik hieronder op de titel van uw keuze om het desbetrefende artikel te lezen. Klik op een andere titel om deze nieuwe titel te lezen (de teksten worden in- /uitgeklapt als een harmonica).

"Moeite vraagt moed"

De groene golf raast over speelruimtes. Kinderen moeten vooral naar buiten, liefst naar een natuurlijke omgeving. Het wordt tegenwoordig heel belangrijk gevonden om ze te laten spelen met water, modder en takken. Zie ze gelukkig struinen door de bosjes, bloemen plukken, lieveheersbeestjes door een vergrootglas bekijken! We gunnen kinderen wat velen van ons, opgegroeid in stadse omgeving met hooguit een grasveld naast het metalen klimrek, niet deden toen we kind waren. Hutten bouwen van gebogen takken, dijken maken in een sloot, kikkervisjes vangen, bramen plukken, in bomen klimmen, geweldig!
We zijn daarvoor bereid onze buitenruimte letterlijk om te scheppen. Hier en daar zie ik als compromis midden op een betegelt schoolplein een hoop aarde met een boomstamtrappetje verrijzen. De tegels blijven om te voetballen, het heuveltje voor de groene ervaring.

Visie en praktijk
In de praktijk hoor ik ook andere geluiden. Begeleiders vrezen het onbegrip van ouders. Want kinderen worden vies van modder, lopen misschien een of andere ziekte op door vervuild water of ze steken giftige bessen in hun mond of worden geconfronteerd met een dode vogel waar de maden uit kruipen. ‘Ouders”, zo denken veel begeleiders, zijn niet blij met vuile kleding en geschrokken kinderen die pijn hebben.
Heel vaak blijken het in de eerste plaats niet de bezwaren van ouders, maar van de begeleiders. Idealen worden gehinderd door praktische bezwaren. Van hoeveel begeleiding wel nodig is naar zand in de school. Spelen in de natuur, kost moeite. Bovendien klinkt ‘ieder kind heeft recht op zijn eigen bult’, leuk… maar wie is daarvoor aansprakelijk! Over de waarde van spelen in een natuurlijke omgeving is men het meestal snel eens. Over de daarbij behorende risico’s minder. Weten waar iets wel of niet goed voor is en wat men daar voor over heeft, is een afweging waaraan voldaan zal moeten worden voor we kinderen loslaten.

Kennen voor kunnen
Wie kinderen in een natuurlijke omgeving wil laten spelen zal meer van die omgeving af moeten weten. Grijze schoolpleinen zijn overzichtelijk. Tot nu toe mochten begeleiders vertrouwen op de WAScertificering voor speeltoestellen. Voor laten spelen in een natuurlijke speelruimte geldt geen WAS. Hiervoor is kennis nodig van planten en dieren, zin en onzin, voorkomen en behandeling.
Begeleiders moeten weten welke planten wel of niet, veel of weinig, giftig zijn. En welke wel of niet eetbaar. Ze moeten kunnen omgaan met bijensteken, splinters, allergiereacties, teken en angsten voor spinnen. Ze zullen zich over hun eigen angst en weerzin over alles wat glibberig, harig en slijmerig is, heen moeten zetten. Moeite en moed zijn nodig om risico als essentiële voorwaarde voor goed spelen te accepteren.
Pas daarna zijn ouders te overtuigen.

Aannames beperken
De natuur is geen hemel op aarde. De natuur is soms dood, ongezond, harig, vervelend, pijnlijk, gevaarlijk. We kunnen en mogen kinderen daar niet van weghouden. Kinderen leren door vallen en opstaan. In onze wereld vol moeten en aansprakelijkheid dreigt vallen als noodzakelijk kwaad uit het zicht te verdwijnen. Uit het zicht… nog zo’n uitdrukking waar ouders en begeleiders, ongerust door worden. Want stel je voor….
Helen Tovey concludeerde in haar boek Laat ze buiten spelen, niet voor niets, dat 8 van de 10 waarschuwingen van vrouwen aan buitenspelende kinderen, gebaseerd zijn op aannames. ‘Pas op, straks val je’, ‘Weet dat je moeder dit niet leuk zal vinden”, Stel je even voor wat het effect is wanneer je je best doet en een kind zegt: “Dat wordt niks, geloof me maar”.
Wanneer we weten wat we – in de natuur- kunnen aantreffen en hoe we kunnen handelen, zullen we moeten accepteren dat er risico’s binnen grenzen zijn. Om te leren met vallen en opstaan, moet je mogen vallen. Alle vervelende ervaringen willen voorkomen is niet verstandig. Er mee om leren gaan, wel.
De kans dat er iets ergs gebeuren zal, is vaker kleiner dan de kans op succes en zelfs negatieve ervaringen hebben positieve waarde.

Ruimte voor onzekerheid
Bij alle informatie over risico lijkt het belang van moeite doen ondergesneeuwd. De achterliggende oorzaak van ons risicomijdende gedrag is ons verlangen naar zekerheden. Deze is niet alleen vertaald in veiligheid, maar ook in de snelste weg, de duidelijkste resultaten en grote afhankelijkheid van wat ‘anderen’ voor ons bedacht hebben; het gemak. Daarom kiezen ouders graag spelletjes, waarbij maar één antwoord goed is of het door de fabrikant bedachte voorbeeld zo is bedacht dat een kind niet zelf hoeft te modderen of iets waarbij duidelijk is wat een kind daarmee kan doen, omdat ieder knopje een functie heeft. Van de puzzel die maar op een manier te leggen is, tot computerspelletjes met duidelijke scores. Van de wipkip tot beveiligd boomklimmen. We besparen kinderen te graag de moeite om zelf iets uit te moeten zoeken, om iets moeilijkers te proberen dan ze misschien wel aankunnen, om hun eigen ideeën te ontwikkelen, spelregels zelf te verzinnen (wat ze echt heel goed kunnen… kijk maar naar knikkeren). We schermen vaak met wat kinderen wel goed kunnen, delen voor ons begrip alles in leeftijdverwachtingen en niveaus in. We geven ze veel minder kansen om in iets onbekends te bijten. We hebben een hekel aan; ‘Ik weet niet hoe het moet”, ‘Ik kan dit niet”en vooral “Jij moet mij helpen”. Spelen op je eigen manier lijkt op spelen uit het zicht… van de verwachtingen. Spelen in een natuurlijke omgeving geeft minder zekerheden, meer ruimte voor ‘zelf doen’. Dat vinden we vaak eng, maar opvoeden is loslaten. Ja, daar zitten risico’s aan vast. Ho, ik beweer niet dat alles wat kinderen doen goed en grenzeloos is. Waar die grens ligt bepaalt u, als volwassene, door een afweging te maken tussen waarom een kind iets wil, wat en hoe reëel het bezwaar is en wat de waarde van de ervaring kan zijn. Ja,…het mag…mits…onder voorwaarde van…maakt veel mogelijk en voorkomt de wens om bij voorbaat de deur letterlijk dicht te houden.

(Link hier naar het artikel op Quebble)

"Mannen spelen anders dan vrouwen"

Alleen al deze feitelijke constatering roept bij veel mensen herkenbare, verrassende, insinuerende, verwijtende en lovende reacties op. Bij alle verhalen over de waarde van goede vaders, onderwijzers en mannen in kinderopvang lijken kanttekeningen te plaatsen.
Want wat kunnen mannen, wat vrouwen niet kunnen? Wat is er dan zo bijzonder aan mannengedrag! Hoe en waarom zou wat mannen doen, soms beter gevonden worden dan wat vrouwen kunnen? Wat mankeert er dan aan vrouwen! Waar zijn spelende vaders, mannen in kinderopvang en kindgerichte beroepen als ze zo nodig zijn? Waarom erkennen we niet wat toch belangrijk voor kinderen geacht wordt? Waarom zou je aandacht voor mannelijke benadering moeten willen? En vooral…. Geven mannen niet meer risico’s en onrust dan we willen in onze veilige, aangeharkte, vrouwelijke wereld?
Mannen lijken wel in de verdediging te moeten als ze met kinderen willen spelen! Met kinderen spelende mannen krijgen, veel eerder en vaker dan vrouwen, te maken met soms lachwekkende, soms angstaanjagende beoordelingen. Van kinderachtig tot onverantwoord.
Om zich niet te moeten verdedigen of negatieve schijn te voorkomen ziet menig man van spelen met kinderen af. Ze verdwijnen uit kinderopvang en kindgerichte beroepen. Vaders gaan fietsen met hun kinderen, duwen een schommel aan…. maar stoeien minder en zeker niet in het openbaar.
En wanneer goede, leuke vaders los gaan als in een bekende aardappelreclame als mannen onder elkaar, maar dan met (jonge) kinderen, kijken moeders meewarig (‘Die jongens toch’) terwijl ze waarschuwen voor wat kan gebeuren (‘Kijk uit, doe niet zo wild, dat wil ze vast niet’) en staan ze klaar om te troosten vol verwijten (‘Dat is een beetje dom van pappa’).

Voor radio 1 Vandaag mocht ik iets zeggen in een programma over Quckel speelgoed…. Speelgoed voor vaders van kinderen tot twee jaar. De interviewster was kritisch. Waarom is dat nou nodig? Het is toch gewoon speelgoed waar ook moeders iets mee kunnen! Het bleek moeilijk om vaderlijke eigenschappen te omschrijven waar moeders niet aan kunnen voldoen. ‘Vrouwen zitten onmiddellijk in de verdediging,’ merkte de leverancier terecht op. “Mannen spelen anders dan vrouwen. Vrouwen beginnen met bekijken of het speelgoed verantwoord is. Ze voelen, ruiken, proeven, wegen en controleren naden en veiligheid. Mannen beginnen onmiddellijk te spelen. Zij kijken wat zij met dit speelgoed kunnen; hoe ver ze hiermee kunnen gooien bijvoorbeeld’.

Mannen spelen anders dan vrouwen. Mannen zoeken grenzen op en gaan daar het liefst nog even overheen. Ze houden van competitie, van feiten en van actie. Om de competitie leuk te houden doen ze graag een beetje gek. Zo relativeren ze de resultaten. Ze willen snel en vaak een nieuwe kans. Vaststellen wie de sterkste, snelste en beste is, lukt vooral door fysieke krachtmetingen, waarbij elkaar testen en vertrouwen belangrijk zijn.

Moeders, vrouwen, denken vaak anders over dezelfde activiteiten dan vaders, mannen. Zij hechten meer aan ruimte binnen grenzen, in plaats van aan grenzen verkennen en liefst verleggen. Ze zien de emoties bij de resultaten en willen angst, teleurstelling en pijn bij kinderen graag voorkomen. ‘Doe dat maar niet meer”, waar vaders willen doorgaan.

Kinderen krijgen bij vaders, mannen, andere kansen en dezelfde kansen waar anders mee om wordt gegaan dan (vaak) bij moeders. Het is voor jongens en meisjes goed om meer dan een benadering te ervaren.
Het verschil tussen stoeien en vechten bijvoorbeeld. Waar vrouwen ieder fysiek geweld willen vermijden, zien mannen vaak de competitie. Goed stoeien heeft waarde voor ontwikkeling. Ze geeft respect voor elkaars mogelijkheden. Stoeien wordt vechten, wanneer degene waarmee je stoeit van vriend in vijand veranderd, van iets leuks naar wat in ieder geval een van de twee niet meer leuk vindt. Kinderen waarmee gestoeid wordt ontwikkelen zich aantoonbaar tot meer empathische mensen dan kinderen die niet geleerd hebben om elkaars signalen van moed en wanhoop, kracht en onmacht, stoppen of doorgaan, met bijbehorende emoties te herkennen. Hetzelfde geldt voor avonturen durven aangaan, slopen, omgaan met risico’s.

Ja, moeders kunnen ook gek doen, stoeien, enthousiast zijn, gooien met speelgoed, grappig zijn en kietelen…..maar vaders doen het anders, ruwer, actiever, luidruchtiger, vanzelfsprekender en zij mogen ook! Het spelen van vaders heeft waarde. Laat vaders spelen als vaders, als mannen met alle typische en persoonlijke kenmerken die daar bij horen. Dit kan anders zijn dan ons ideaal beeld bestaande uit de wijze man die uitleg geeft. Misschien lijkt de ideale spelende man meer op een regels aan zijn laars lappende avonturier die begint zonder eerst de gebruiksaanwijzing te lezen of rekening te houden met het tragere tempo van kinderen. Ik wens vaders durf toe om als mannen te spelen.
Soms hebben ze een zetje nodig. Bijvoorbeeld door speelgoed in kleuren, vormen en met mogelijkheden waar zij van houden. Weer eens wat anders dan speelgoed keukens (Ja ik weet het, mannen mogen mee doen aan Masterchef). Speelgoed om mee te botsen, te laten stuiteren, op te springen, aan te hangen, feiten over te vertellen (in plaats van voor te moeten lezen uit een prentenboek vol aangeklede konijnen) en gek mee te kunnen doen.
En ja, moeders mogen daar ook mee spelen,- desnoods op dezelfde manier als mannen als ze dat kunnen…..durven…..en willen.

(Link hier naar het artikel op Quebble)

"Ouderavond"

Ouderavonden zijn ouderwets, probeerde iemand mij duidelijk te maken. Zij pleitte voor “een digitaal schoolplein” om informatie te delen. Wie van Quebble houdt moet het voor een belangrijk deel met haar eens zijn. Inderdaad komen tegenwoordig minder ouders naar een ouderavond dan vroeger, worden kinderen vaker uit school gehaald door moeders die geen tijd voor een praatje hebben of Engels sprekende nanny’s die wel willen maar niet kunnen kletsen of ouders die niet uit hun auto stappen maar wachten tot hun kind is ingestapt.
De informatie die tot voor kort op ouderavonden werd gegeven bestaat nu uit een link van een website, waar alles te vinden is. Dit spaart tijd en voorkomt ongetwijfeld teleurstelling over sprekers die niet leuk waren, onderwerpen waar men geen belangstelling voor had en gesprekspartners die het niet met je eens waren.

Ik ben in de afgelopen ruim dertig jaar vaak spreker geweest op ouderavonden over allerlei onderwerpen die met spelen te maken kunnen hebben. Van “Waar op letten bij speelgoed kiezen” via “omgaan met vallen, falen en vies worden” (de drie V’s J) tot “erkenning voor de meest essentiële voorwaarde voor menselijke ontwikkeling; voorwaardenscheppende zorg voor spelen” en nog veel andere praktische, theoretische, maatschappelijk relevante en filosofische mogelijkheden. Als de gespreksstof maar iets met spelen (al dan niet met) speelgoed te maken had.
Het niveau wisselde, net als de grootte van de groep. Zonder dat hier per definitie een verband tussen zat. Op dorpsscholen was het vaak volle bak, met ouders tot in de vensterbanken. Op enorme scholen waren groepjes van hooguit tien mensen geen uitzondering. Ik stond in enorme aula’s op een toneel of zat op een barkruk op een tafel (met daaronder een Perzisch tapijtje tegen het schuiven…ik heb hoogtevrees!) Het tarief was hetzelfde.

In een klein groepje komen vaker discussies los waarbij mijn stuurmanskunst op de proef werd gesteld. In grote groepen moest ik bewust ruimte maken voor interactie en zorgen dat het geen optreden werd in plaats van een inleiding. Dat lukt niet altijd. Discussies gingen vaak na de afsluiting gewoon door op het schoolplein. En na optredens kreeg ik vaak te horen dat men enorm gelachen had om de herkenbare voorbeelden. Het was echt een avondje uit geweest, volgens de ouders.

Ik vroeg mij dan altijd af of het ook nog zinnig geweest was, want je bent Hollander of je bent het niet. Het moet wel een beetje zinnig zijn om anderhalf uur naar een spreker te luisteren. Maar vooral niet te pijnlijk. Beetje prikken mocht, kietelen ook, confronteren niet. De grenzen las ik af van opgetrokken wenkbrauwen en steelse blkken. Ik nodigde de zaal altijd uit, nee niet altijd…in Amsterdam niet… om het vooral met elkaar oneens te zijn. Dat is goed voor de verdieping. In het westen van het land, werkte dit beter dan in het oosten. In Amsterdam was men het bij voorbaat met mij en elkaar oneens en moest je van goeden huize komen, weten waar je het over hebt tot achter de komma. Wanneer dat lukt, is er geen leuker publiek dan Amsterdammers. Maar o wee als zij het beter (denken te ) weten, dan word je als provinciale amateur weggezet. In Rotterdam moest het altijd vooral praktisch zijn. Ok theorie…maar wat doen we daarmee in de praktijk.

Overal, op ieder niveau, met en zonder ouders uit alle windstreken en bij nieuwe, oude, progressieve of behoudende scholen waren de gesprekken in de pauze het leukst. Daar vlogen de meningen en de ervaringen over en weer, werden kinderen toegelicht en begrepen, kwamen herkenning en erkenning van elkaars kinderen en mogelijkheden tot stand. Daar groeide de betrokkenheid bij eigen en andermans kinderen, de school en ouders voor wie wilde zien wat daar gebeurde.

Waar kun je beter over je eigen kind vertellen dan op een ouderavond van zijn school aan een ouder van een leeftijdgenootje. Waar kun je beter ervaringen delen en belevenissen toetsen. “Vindt hij die juffrouw ook zo lief?”, “Ja mijn zoon speelt graag met jouw zoon.” “Zullen we eens afspreken wanneer ze bij ons kunnen komen spelen!”, “Heeft ze dat gezegd! O ik begrijp waar dit vandaan komt. Ik zal het haar uitleggen.” En natuurlijk ook. “Het was een herkenbaar voorbeeld wat we net hoorden. Meer kan met minder. Als we dat binnen de sfeer van de school kunnen houden, geven we kinderen echt iets mee.” Of “O maak jij gebruik van een speelotheek! Hoe bevalt dat?” of “Als we onze kinderen goed willen laten spelen op het schoolplein zullen we daar iets voor moeten doen.”

Dit soort reacties zijn volgens mij niet te verwachten na een digitale nieuwsbrief. Ik pleit voor ouderavonden, met een goede spreker, aantrekkelijke onderwerpen waar iedere ouder mee te maken heeft, met tijd om met elkaar te praten en een duidelijke uitnodiging waaruit blijkt dat alle ouders verwacht worden. (Dus niet we zouden het leuk vinden als u komt…nee we verwachten u). En ja…ik kom graag….als u dat wilt.

(Link hier naar het artikel op Quebble)

"Speelgoed kiezen vraagt iets van uw verantwoording"

Ik geef onafhankelijke informatie over spelen en speelgoed vanuit pedagogisch perspectief. Dit betekent ongeveer tien maanden per jaar vooral informatie geven over spelen en twee maanden vooral over speelgoed. Deze twee maanden.
Interviews en vragen via mijn site en sociaal media zijn over het algemeen duidelijker dan mijn antwoorden.
‘Weet u iets voor achtjarigen?’ Nee, ik ken uw kind niet.
“Wat is een leuk nieuw spel”. Ik geef onafhankelijke informatie over kenmerken, niet over merken. Wat voor de een leuk is, hoeft dit voor de ander niet te zijn.
“Hoeveel speelgoed mag een kind krijgen?’’ Speelgoed is het visitekaartje van uw opvoeding. U bepaalt de noodzaak en de luxe in uw gezin.
‘Wat is beter? Een Ipadspel of een bordspel?’ Ligt er aan voor wie, welk spel en hoe u daarmee wilt (laten) spelen.

Zo kan ik, met een zeer onbevredigend gevoel, doorgaan. Ouders en journalisten willen boodschappenlijstjes. ‘Zeg maar wat ik kopen moet!” Helaas, ik kan u niets voorschrijven, zelfs als ik zou willen. Ik speel de bal graag terug en wil u wijzen op eigen plicht en mogelijkheden. Speelgoed is het visitekaartje van uw pedagogisch plan. U bepaalt. Ik kan u vertellen wat speelt en waar u op kunt letten.

Speelgoed kiezen is pedagogisch, emotioneel en persoonlijk voor zowel de gever als de ontvanger. Speelgoed kiezen is veel meer dan iets pakken en afrekenen. Wie speelgoed kiest doet dit na afwegingen van verwachtingen, pedagogische idealen, persoonlijke smaak en praktische- emotionele en financiële mogelijkheden. Kortom; Volwassenen bepalen wat mag en kan. Wel of geen activ man die met meer biceps dan zijn vader, voorzien van de modernste wapens, de rechten van de mens verdedigt? Het antwoord zegt iets over jouw mening, toegeeflijkheid, opvoeding. Hetzelfde geldt voor: Hoe verantwoord is toegeven aan hebbe om te hebbe? Waar trek je de grens van gunnen in tijden van financiële crisis. Zegt de grootte van speelgoed iets over de grootte van de liefde voor een kind?

En dan heb ik het alleen nog over de overwegingen van de gever. Wie geeft zal ook nog rekening moeten houden met dezelfde overwegingen bij het kind waarvoor het speelgoed bedoeld is…in het besef dat de overwegingen bij een kind tot een totaal andere conclusie kunnen leiden. Want wat jij leuk vindt, kan een kind vreselijk vinden, om het over de inschatting van financiële mogelijkheden niet eens te hebben.
Hoe die overwegingen bij jou spelen, weet ik niet…ik kan ze benoemen maar niet voor een ander invullen. Weten wat speelt, helpt naar ik hoop, bij kiezen.

Daarom hier een paar kenmerken voor speelgoed kiezen op een rijtje.

  • Speelgoed is handel. De vermelding op de doos van ‘verantwoord’, betekent hooguit op verantwoorde wijze gemaakt en nadrukkelijk niet op verantwoord gegeven en is geen belofte voor verantwoord gebruikt. Iedere aanbieder gebruikt uw overwegingen graag om u tot een keuze te verleiden. ‘Nieuw”is vaak niet meer dan een nieuwe verpakking. ‘Afgeprijsd’ moet u verleiden, ‘Speelgoed van het Jaar’ maakt niet duidelijk of het als beste, meest innovatiefste, meest verantwoorde, of leukste is verkozen en zeker niet voor jouw kind.
  • Speelgoed is net als voedsel te verkrijgen in kant-en-klaar, rauw, en een beetje van Maggi en beetje door het kind zelf. Kant-en-klaar omvat alle ingrediënten. Een kind hoeft niets toe te voegen, niets zelf te verzinnen. Druk op knopjes en het speelgoed speelt vanzelf. ‘Rauw”speelgoed is het tegenovergestelde van kant-en-klaar. Het is speelgoed in puurste vorm. Letterlijk; van hout, stof, krijt, natuurklei, en figuurlijk omdat de betekenis of speelwijze niet tot nauwelijks is aangegeven. Blank houten blokken bijvoorbeeld of KAPLA plankjes, een pop zonder gezichtuitdrukking die niets kan en daarmee alles (Ik hoorde een kind zeggen; ‘Als de batterijen uit zijn, kan ze zeggen wat ze denkt’), kleurloze klei. Een kind kan, moet, zelf verzinnen wat het hiermee wil. Klinkt leuk, maar sommige kinderen vinden dit lastig. De tussenvorm bestaat uit leuk, mooi, speelgoed waar kinderen zelf iets mee kunnen verzinnen of aan toe kunnen voegen.
  • Het verlanglijstje van een kind is geen boodschappenlijstje. Krijgen wat hier op staat, is niet verplicht. Op een verlanglijstje staat wat het graag wil hebben. Wie naar spelen kijkt, kan ontdekken wat dit kind bij zijn spel kan gebruiken. Op een verlanglijstje staat over het algemeen veel speelgoed met veel uiterlijke kenmerken zoals kleur (hoe meer, en hoe afwijkender, hoe mooier…lichtgevend groen is mooier dan gewoon groen), grootte (geldt voor doos en inhoud), licht, beweging, geluid, veel losse onderdelen en veel details (een auto met stickers is mooier dan zonder). Ieder uiterlijk kenmerken bepaald en beperkt de speel mogelijkheden. Met een radiografisch bestuurbare lichtgevend groene auto met stickers spelen kinderen anders dan dezelfde auto van blank hout. Iets krijgen waar je zeer naar verlangd hebt, kan emotioneel zeer verantwoord zijn. De uitzondering bevestigt de regel.
  • Een goede keuze is gebaseerd op betrokkenheid. Wie wil weten waar een kind mee kan en wil spelen (wat iets anders is dan wil hebben, zie mijn opmerkingen over verlanglijstje) zal eerst iets van het moeten ontdekken voor gekeken wordt naar het speelgoedaanbod. Wie weet in welke fase een kind zit in de spelontwikkeling, wat een type een kind is, wat het al heeft en hoe het daar mee speelt, heeft aanknopingspunten voor verwachtingen. Bedenk daarbij dat de meeste leeftijdsaanduidingen, commerciële doelgroepaanduidingen zijn. Wanneer u niet gelooft dat 78 jarigen niet meer willen spelen met een spel bedoelt voor 7 tot 77 jarigen, waarom zou die 7 dan wel kloppen!
  • Vijf kleine cadeautjes leiden over het algemeen eerder tot beter spelen dan een groot cadeau. Zeker wanneer die vijf overeenkomen met de segmenten van de schijf van vijf; iets creatiefs (lekker om te doen, zonder dat vorm of resultaat bij voorbaat vast staan), constructief (iets waarvoor planning, logisch denken, strategie nodig is), cognitie (iets om je hersens bij te gebruiken, iets van te leren) sociaal (met of voor elkaar), motorisch (gericht bewegen).

Meer informatie over wat past bij verschillende leeftijden, invloeden op spelen zoals aard, jongens en meisjes en kenmerken van speelgoed waar bij kiezen op te letten is, staan in het Speel Goed Boek, eerste hulp bij kiezen van speelgoed, verkrijgbaar via mijn site www.speelgoedadvies.nl.

(Link hier naar het artikel op Quebble)

"Participatie en spelen"

Het, of beter de, woorden van 2013 zijn ongetwijfeld ‘participatie maatschappij’. De eerste keer dat dit begrip met alle bijbehorende tentakels uitgebreid werd besproken was, voor mij, dit voorjaar in Putten tijdens de voorbereiding van het congres voor Openbare Ruimte door het vakblad Buiten Spelen. Sindsdien gingen maar weinig weken voorbij waarin de participatie maatschappij niet besproken werd. Steeds in een ander verband. Van openbare ruimte naar zorg, onderwijs, ouderbetrokkenheid, breed gedragen opvoeding, wijkbeheer, politiek draagvlak, kosten kinderopvang en gewenste herijking van emancipatie. Omdat alles waar ik mee bezig ben op de een of andere manier altijd wel met kinderen en spelen te maken heeft, zal het niet verwonderen hoe spelen hier steeds opnieuw vanuit een ander perspectief maar met gebruik van dezelfde woorden werd besproken. Lees de volledige blog op Speelgoedadvies

(Link hier naar het artikel op Quebble)

"Candy Crunch; Spelen in levels"

In deze laatste weken van de grote vakantie zie je wat onder spelen verstaan kan worden. In de kranten vol komkommernieuws is nu aandacht voor “het verdienmodel” van de gratis Candy Crunch waar “half Nederland waaronder vooral kinderen” proberen naar het volgende level te komen…met of zonder een beetje betaalde hulp. Leuk, verslavend, uitdagend, maar is het spelen? Natuurlijk.

Spelen is een makkelijk te gebruiken werkwoord. Van spelen met een Iphone naar spelen met gedachten, via het misverstand dat alleen kinderen spelen. Iedereen kan spelen, met alles, overal en altijd. Spelen draagt bij aan ontwikkeling en kan ontwikkelingen remmen of de verkeerde kant uitsturen. Spelen kan heel goed tot vreselijk slecht zijn.

Wat is goed?

Belangrijk kenmerken van goed spelen zijn ‘grenzen verkennen en verleggen”, ‘vaardigheden inoefenen door veel herhalen’ en ‘inzichten verwerven door overzicht en uitproberen’. Bij Candy Crunch doet een kind niet anders.

Maar toch of gamen, spelen is met een vormende positieve bijdrage voor ontwikkeling waag ik te betwijfelen. Een belangrijk component lijkt te ontbreken. Een ondergewaardeerd, vaak niet gezien en moeilijk te omschrijven element; voelen dat je eigen baas bent in jouw eigen speelwereld. Daar is niet veel voor nodig.

Een eigen wereld vraagt om grenzen, vrijheid, eigen gedachten en zelf doen. Iemand kan Candy Crunch spelen vol overgave, nauwelijks aanspreekbaar, opgenomen in de speelwereld van schuivende snoepjes, het brein gericht op het zoeken naar de juiste handeling binnen de grenzen van het speelveld. Slechts een voorwaarde voor goed spelen ontbreekt… de meest essentiële; de vrijheid om zelf te beslissen wat goed is. Om het volgende level te bereiken moet aan de verwachtingen van de fabrikant worden voldoen. De oplossingen van de speler zijn daaraan ondergeschikt. Vrijheid bepaalt de kwaliteit van spelen.

Hetzelfde spel met knopen of snoepjes, zelf uitgevonden met eigen regels, kan beter spelen zijn, al lijkt het minder voor te stellen. Zoals kinderen die met zand spelen naar eigen idee, alleen of samen, op een hoger niveau spelen dan kinderen die hetzelfde doen omdat hun vader toekijkt terwijl ze zijn aanwijzingen utvoeren. Spelen heeft altijd te maken met loslaten na mogelijk maken.

Loslaten is veel moeilijker dan mogelijk maken. We willen wel dat kinderen zichzelf amuseren maar binnen grenzen. We willen weten waar ze zijn en waarmee ze bezig zijn. Ze krijgen steeds minder vrijheid waardoor ze beperkt raken en ontwikkeling kansen mist. Een voorbeeldje; Met alle aandacht voor taal en woordjes aanleren vergeten veel mensen kinderen met vriendjes te laten praten. Kinderen spreken beter, langer en ingewikkelder met andere kinderen dan tegen grote mensen. Wij zorgen voor kennen maar geven vaak weinig ruimte voor wat daar mee kan. Vaak zien we dat zelf niet want we zijn betrokken, hebben het beste met ze voor, weten hoe het moet en willen geen tijd verspillen.

Onze ervaring, staat het geven van ruimte en vrijheid in de weg. Want ‘wat als…’ vormt vaak aannames. ‘Als ze dan maar niet vallen” verandert snel in ‘Als ik ze niet vasthoud, vallen ze vast”. ‘Als ik niet weet waarmee ze bezig zijn, kunnen ze van alles doen’ beperkt de vrijheid tot ‘ze mogen doen wat ze willen zo lang ik ze kan zien’. Kortom ‘het is leuk als ze gewoon doen wat ik voorstel of goed vind’.

Spelen is in de afgelopen jaren steeds vaker verworden tot zekerheid willen over waar een kind mee bezig is, hoe het dit zo goed mogelijk kan doen en wat daarvan de waarde voor ontwikkeling en educatie is.

De levels van Candy Crunch is net als zandkastelen en popcakes maken volgens aanwijzingen en prinsessenjurken uit de speelgoedwinkels en educatief speelgoed waarmee kinderen het enige juiste antwoord kunnen vinden. (Nijntje gaat met de trein…nee dat is niet goed…probeer het nog een keer). Allemaal veel mooier, duidelijker en naar wens van kinderen en grote mensen dan zelf moeten bedenken hoe je een spel kunt spelen, of zelf iets in elkaar kunt flansen.

Ook voor kinderen is loslaten moeilijker dan mogelijk maken. Een voorbeeld of aanwijzing volgen geeft meer zekerheid dan zelf iets verzinnen. Inventiviteit heeft vrijheid nodig en moed om ze te gebruiken met vaardigheden en inzichten als gereedschappen. Onze waardering helpt.

Leonard Huizinga beschreef het in zijn Homo Ludens; Ontwikkeling ontstaat uit zelf gevonden variaties. Van spelen met klanken voor nieuwe melodieën eventueel vast te leggen in notenschrift, tot uitvindingen gebaseerd op verworven kennis….het is allemaal spelen. Goed spelen bevat een originele bijdrage van de speler. Het originele is de bijdrage aan de ontwikkeling. Vaardigheden en inzichten en ondersteunen of bewijzen deze vondst maar zijn niet de vondst zelf. Ze kunnen slechts voorwaarden zijn voor nieuwe vondsten als daar vrijheid voor is om deze zelf te creëren.
Kortom; laat ze lekker klooien.

(Link hier naar het artikel op Quebble)

"Vies... Moet kunnen... Soms?"

28 juni Modderdag. Een beetje moderne (gast)ouder/ school/ kinderdagverblijf/ speelotheek zorgt voor zand, water, plastic bakken en speciale kleding. Vies voor een dag, moet kunnen. De ware kunst van het opvoeden is immers niet streng maar consequent zijn. En daar op de juiste tijd, in de juiste mate van af weten te wijken. Die laatste toevoeging is de redding voor mening inconsequente ouder. Wie het goed wil doen weet: De uitzondering bevestigt de regel. Modderdag bevestigt de regel.

Sommige scholen, kinderdagverblijven, (gast)ouders gaan een stap verder. Ze organiseren ‘een vieze week’. Niet een dag modder maar vijf dagen kliederen in variatie. Een dag met modder, een dag met vingerverf/klei/plaksel, de volgende dag bodypainten met scheerschuim/ zeepsop/schmink, daarna buitenspelen in de natuur (29 juni is IVN natuurspeeldag) met bomen klimmen, wroeten in aarde, nat worden door vissen en groen worden door rollen van een grasheuvel met als afsluiting graaien in gekookte spaghetti met vla toe. Gewaagd hoor, maar daarna doen we weer netjes. Want vies is smerig. Smerig is ongezond. Vies en smerig moeten we niet willen. Toch?

Ik ken ouders die voorkomen dat hun kind zijn eigen poep ziet. Je plas voelen is al bijna onmogelijk…bah vies. Dit letterlijk pamperen voorkomt voelen. Niet voelen vertraagt ontwikkeling; letterlijk en figuurlijk. Kinderen worden tegenwoordig later zindelijk. Veel jongens zijn rond hun vijfde ’s nachts nog niet zindelijk. Basisscholen weigeren soms niet zindelijke vierjarigen.

Heel, heel lang geleden, toen ik nog jong en bevlogen was, stelde ik aan ouders vingerverf en natuurklei beschikbaar vanuit zendingsdrang (waarvan de resten nog zichtbaar waren in mijn vorige weblog over kleurplaten). Ik gunde kinderen hun smeren, voelen, graaien en knoeien met bijbehorende natuurlijke geuren. Kinderen beleven concreet met hun zintuigen. Ruiken, voelen, proeven zijn primaire belevingen, belangrijk voor herinneringen en ordening van indrukken. Een vies kind had goed gespeeld, dacht ik.

Ik weet nu beter. Mijn oudste zoon haat(te) viezigheid. Een vinger in de verf was al een te veel. Waarom je vingers gebruiken als daar voor kwasten zijn uitgevonden! De tweede zoon was nooit schoon te krijgen. De derde zat daar tussen in. Een kind is pas bijzonder…zodra het niets bijzonder is. Ze willen niet altijd wat jij wilt. Het heeft met aard te maken. Aardje naar zijn vaartje. Waarmee ik maar wil zeggen dat niet alle kinderen vies moeten worden, maar vies worden wel moet mogen. Niet een dag…niet een week…maar het hele jaar door.

In 2010 liet OMO, het wasmiddel, een onderzoek uitvoeren naar ‘hoe vies mogen kinderen worden, in Nederland’. Ik citeer uit het persbericht: ‘Bijna een half miljoen kinderen mogen niet meedoen aan activiteiten waarbij zij vies kunnen worden. Kinderen zijn namelijk het visitekaartje van hun ouders. Dit blijkt uit onderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau Motivaction. … Bijna alle Nederlandse moeders vinden het belangrijk dat hun kinderen er “mooi” uitzien. In hun mooiste kleding mogen kinderen echter niet altijd buitenspelen. Meer dan 40 procent van de Nederlandse moeders vindt het zonde als kleding vies wordt tijdens het spelen. Een derde van de moeders laat haar kinderen daarom het liefst spelen in speciale buitenspeelkleding. Meer dan 1 op de 6 ondervraagde moeders geeft aan dat haar kinderen helemaal niet buiten mogen spelen wanneer zij hun mooiste kleding aan hebben. Of erger: meer dan 245.000 moeders verbieden hun kinderen alle activiteiten waarbij zij vies worden, dat zijn gemiddeld genomen 465.500 kinderen. ‘ einde citaat verschenen op 10 augustus 2010.

Natuurlijk is dit een ‘oud’ onderzoek; drie jaar oud. In drie jaar kan veel veranderen. Kinderdagverblijven, scholen en gemeentes realiseren groene speelruimte, buitenspeeldagen en modderdagen. Ook ik vertel ouders op ouderavonden waarom kinderen wanneer niet buitenspelen. Nee, niet omdat computeren leuker is. Volgens verschillende onderzoeken gaan kinderen liever naar buiten maar blijven ze binnen als er geen andere kinderen buiten zijn. Leuke ouders zorgen dat kinderen iedere dag naar buiten mogen, zelfs als dat iedere dag vieze kleren geeft. Vies mogen worden hoort bij consequent gedrag van wat mag (niet moet) en niet bij de uitzondering. Maar ook daar is commentaar op te verwachten. Ik hoorde pas een buurvrouw mopperen dat je tegenwoordig zoveel hangmoeders met jonge kinderen zag op een speelterrein. ‘Geen gezicht. Ze zitten de hele tijd te kletsen en doen niets met die kinderen’. Het is ook nooit goed.

(Link hier naar het artikel op Quebble) 

"Kleurplaten... Ze zouden verboden moeten worden!!!"

Wat ik tegen kleurplaten heb? Niets. Ik heb iets tegen het gemak en de aannames waarmee kinderen ze krijgen. Op een kleurplaat staat bijvoorbeeld altijd een mooiere tekening dan een kind kan maken. Het is niet voor niets een kleurplaat…om te kleuren dus…daarmee kan een kind fase 1 overslaan. Het hoeft niet te tekenen. Dit bespaart denkwerk om te beslissen wat je wilt gaan tekenen. Hoe groot? Waarmee? Een vooral hoe? Niet zelf tekenen voorkomt moeite en teleurstelling.

Wij besparen kinderen te vaak moeite en teleurstelling.

We weten hoe iets op papier krijgen zoals je zou willen zelfs voor ervaren kunstenaars een bijna onmogelijke opgave is. We realiseren ons niet waar kinderen mee bezig zijn – of zouden moeten zijn. Ieder lijntje is voor een peuter een verrassing. Ze spelen met het gebaar, de beweging meer dan met het doel, de prestatie. Door de verf wrijven met een vinger of volle hand doen ze niet om een schilderij te maken maar om dat heerlijke gevoel van door een smeuïge substantie te glijden, dat zachte goedje te aaien en uit te smeren waardoor onverwachte strepen ontstaan, vlekken groeien, het wit van het papier verdwijnt…of de kleur zich mengt met de vorige portie. Voelen, glijden, laten gebeuren.

Dat is lekker, niet mooi. Of zo u wilt; sensomotorisch beleeft zonder functionele processen die emotie sturen. Beleven is emotie. De overgang van beleven naar toepassen is te zien voor wie goed kijkt. Wanneer u dit grensoverschrijdende moment wilt vastleggen moet u een fototoestel in de hand houden met een vinger in afdrukstand want het moment kan snel voorbij zijn. De dreumes smeert en smeert en dan ineens…trekt het met een vinger een lijn en ziet dat hij die lijn getrokken heeft, of zij zet een punt en kijkt verbaast naar haar vingertop en de afdruk op het papier…en ze begrijpen dat ze dit zelf te weeg brengen. Weer een ontdekking van eigen kunnen….misschien goed voor herhaling (een vel vol punten) maar vaker negeren ze dit eerste wortellampje wanneer smeren te lekker is om lang stil te staan bij die eerste streep of punt. Deze overgang van sensomotorisch bezig zijn naar operationeel functioneel werken leidt tot beheersing waarmee stippen kunnen uitgroeien tot rondjes en strepen lang of kort, recht of schuin worden, met in combinatie de eerste ‘kopvoeters’…de eerste afbeelding van mensen. Tijd voor de eerste viltstiften, liever potloden, om mee te krassen. Bewuste lijnen doen tekenen. Daarmee raakt kleur langzaam maar zeker ondergeschikt aan vorm en beheersing. Beheersing groeit door herhalen. Waarmee de cyclus van ervaren/beleven naar ontdekken, uitproberen en door herhalen vaardigheden en inzichten verwerven naar een nieuwe omgang groeit….naar kleuren binnen de lijntjes, bewust zetten van dikke en dunne lijnen dicht bij elkaar, tot schrijven, tot tekenen. Van doen naar doel, proces gericht op prestatie.

Kleuren zonder vorm lijkt voor prestatiegerichte volwassenen vaak op geknoei. Ze realiseren zich niet hoe belangrijk dit smeren, dit ontdekken van een lijn of punt kunnen zetten is voor bewust vorm geven en sturen aan verbeelding. Deze vaardigheden zijn nodig zijn voor abstract denken. Peuters en kleuters tekenen, kleien en knutselen hun wereld, waarbij hun eigen beleving vorm krijgt. Daardoor vertellen kindertekeningen veel. Bijvoorbeeld hoe belangrijk mamma is. Ze is groter getekend dan pappa.

Een kleurplaat is bepaald en beperkt hun beleving.

Maar, ik hoor het u zeggen, kinderen willen kleurplaten! Ze hebben geen zin in hun eigen gestuntel en de allerkleinsten ach, die krassen over ieder lijntje heen! U heeft gelijk; kinderen zijn net zo gemakzuchtig als veel volwassenen. Liever gehaalde patat dan zelf gesneden groente. En wanneer wij alleen waarderen dat ze hun bordje leegeten zonder te zien wat op dat bordje lag, geven we een duidelijke boodschap…de prestatie is belangrijker dan proces en inhoud. Kindermishandeling voor onderwaardering voor wat kinderen kunnen en negeren van belangrijke ontwikkelingsfase is een boute bewering, hoewel… in de pure betekenis klopt het; kinder mis handeling…het fout behandelen van kinderen.

Zijn kleurplaten dan nergens goed voor? Natuurlijk wel…ze zijn te gebruiken om verhalen bij te vertellen, uit te prikken met een scherpe naald of te verknippen (Ander onderwerp voor een volgend blog; spelen met scherp), voor allerlei creatieve uitingen van kleuters en oudere kinderen die kunnen plakken, tekenen en knutselen. Mooi kleuren, binnen de lijntjes, is een goede voorbereidende schrijfoefening, met goede (driehoekige) potloden, geen viltstiften (nog een blog). Verzoeknummers, op-en aanmerkingen blijven welkom. En ja, ook op ouderavonden prik ik. Ik kom, als u dat wilt.

(Link hier naar het artikel op Quebble)

"Marianne de Valck prikt graag"

Ik blog graag om te prikken in ballonnen. Mijn adviesbureau Spelen en Speelgoed heeft niet voor niets een ballonnetje in het logo. Het is mijn werk en deskundigheid om informatie te geven over spelen en speelgoed vanuit pedagogisch perspectief.


Zo stel ik mij voor op ouderavonden, congressen, voor kinderopvang, scholen, kindgerichte opleidingen, speelotheken en ontwerpers van speelgoed en speelruimte en aan jullie via dit eerste blog. Iedereen mag hier uithalen wat men lezen wil, als het maar niet het verkeerde is. Nee, ik verkoop geen Tupperware speelgoed tijdens huisbezoek, ook niet ergens anders en ook geen ander speelgoed. Ik schrijf niet voor, maar wil aan denken zetten over spelen.

Spelen met alle bijbehorende mogelijkheden, oorzaken en gevolgen voor kinderen en grote mensen. Van ontwerpen van speelse mogelijkheden voor binnen en buiten, via wat ouders en begeleiders kunnen doen om goed spelen mogelijk te maken naar waarom kinderen spelen zoals ze spelen met alle moeilijkheden en mogelijkheden tot beleidsmakers rond het officiële VN recht op spelen zoals opgenomen in het Kinderrechtenverdrag. Want spelen spiegelt onze maatschappij, vertekent maar altijd herkenbaar. Iedere ambtenaar, iedere ouder heeft hier mee te maken. Sterker nog; spelen houdt niet op…onze waardering voor eigen spelen in ons huidige functioneren heeft alles te maken met wat we kinderen gunnen.

Mijn aandacht voor spelen richt zich op opvoeding en praktijk. Ik wil informatie geven, inzicht bewerkstelligen en praktische handvatten bieden. Van informatie op de doos, via speelvisie naar wat we daarmee kunnen doen. Van de verschillen tussen ouders en grootouders, jongens en meisjes, leeftijden en verschillende culturen. Van VVE, via pedagogische methodieken naar actuele pedagogische inzichten. Ik meld en geef commentaar op beleid, zorgen en vooral aannames.

Om een paar actuele onderwerpen te noemen waar ik mee bezig wil zijn; De verschillen tussen jongens en meisjes krijgen aandacht maar wat dit in de praktijk betekent voor onze omgang met techniek, feiten, vechten, avontuur en risico’s blijft mijn inziens onderbelicht. Vaak worden de consequenties van inzicht niet getrokken als het ons niet uit komt. Hetzelfde geldt voor de gevolgen van licht, beeld en geluid op jonge kinderen. We weten het wel maar als kinderen het leuk vinden en zo rustig blijven zitten! En kleurplaten. Ze zouden verboden moeten worden voor kinderen onder de vier jaar!

Ik ben kritisch over onze neiging om terechte zorg voor dalende ontwikkelingen, met de ambitie voor meer, beter en sneller, te bestrijden met programma’s en methodieken, en soms tot programma’s die ineens methodieken heten, waarmee als afslankmiddelen wordt beweerd dat kinderen daar slimmer van worden.

U ziet het al; ik prik graag. Niet omdat het allemaal verkeerd gaat maar omdat onze idealen worden geblokkeerd door praktische bezwaren. Ik vraag soms aan ouders, ambtenaren en kinderopvangmedewerkers hoe ze zelf speelden als kind en krijg prachtige gevallen vol risico’s, krakkemikkige oplossingen waar ze heel gelukkig mee zijn geweest, hilarische mislukkingen en enorme belevenissen. Vraag daarna wat ze onder goed spelen verstaan en de zienswijze draait 180 graden naar concentratie, leerzaam, rust, netjes en educatief. (het laatste woord bezorgt mij kriebels).

Ok genoeg opsommingen…u mag reageren…graag zelfs. Hoe meer u het met me oneens bent, hoe leuker het wordt. Verzoeknummers zijn welkom. U mag lachen en denken; ‘Ik begrijp wat ze bedoelt maar zo gek ben ik nog net niet ‘.En wilt u meer lezen, lees dan mijn weblog op mijn site.

(Link hier naar het artikel op Quebble)

Submit to DeliciousSubmit to DiggSubmit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to StumbleuponSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn